Plant- en nazorginstructies

Aanplanten

Als u een boom of plant gekocht heeft wilt u graag dat hij goed aanslaat en groeit. Ondanks dat sommige bomen simpelweg niet willen groeien heeft u hier meestal wel invloed op. Elke boom of plant heeft specifieke eigenschappen en behoeften. 

Bodem
Voordat u de boom plant is het belangrijk dat de bodem goed is. Voedselrijke, luchtige en onkruidvrije grond is het allerbeste. Als de grond niet ideaal is, kunt u er ook voor kiezen om de bovenste grondlaag af te voeren en vervangen door nieuwe zwarte grond. Om specifieke bodemeisen op te lossen kunt u het beste grondverbeteraar in uw plantgat verwerken. Dit materiaal zorgt voor een goede zuurgraad of voedingsgehalte in de bodem.

Blote wortel
Bomen met blote wortel hebben het eerste groeiseizoen nodig om te overleven. Bovengronds is er nauwelijks sprake van groei, alle energie gaat naar het uitbreiden van de wortels. Na aanplant kom het blad later dan gebruikelijk. Enkele blaadjes om te ademen is genoeg voor de ontwikkeling van de boom. In het tweede groeiseizoen is een lichte groei te zien en worden de bladeren groter. Vervolgens in het derde groeiseizoen zijn de bomen in volle sterkte en groeit de boom normaal als de omstandigheden en verzorging in orde zijn. Bomen met blote wortel zijn kwetsbaar en hebben een grotere kans op uitval. Het gemiddelde uitvalpercentage is tussen de 5-15%.

Met kluit
Bomen met een kluit gebruiken het eerste groeiseizoen om hun wortelgestel uit te breiden en vast te zetten in de bodem. Deze bomen hebben meer en groter blad dan bomen met een blote wortel. Van lengte en dikte groei is in het eerste jaar nog geen sprake. Het uitvalpercentage van deze bomen is vrijwel nihil. Als de boom uitvalt komt dat vaak door een verkeerde standplaats of grondsoort.

In pot en container
Als de boom goed geplant en verzorgd wordt, neemt de groei en ontwikkeling in het eerste groeiseizoen al toe. Deze bomen nemen hun wortels al mee en hebben via een druppelleiding netjes op tijd water en voeding gekregen. Daardoor zijn deze bomen relatief lui en is het belangrijk dat deze boom bij aanplant voldoende water krijgt. Als u de boom regelmatig water geeft is de uitval nihil.



Plant een boom

Plant een boom met (draad)kluit

Stappenplan 
1. Graaf een ruim plantgat dat circa 1/3 groter is dan de kluit van de boom. Spit de bodem van het gat goed los om de verticale ontwatering te waarborgen en druk het vervolgens weer voorzichtig aan om nazakken te voorkomen.
2. Vermeng de vrijgekomen grond eventueel met een grondverbeteraar die geschikt is voor de betreffende boom.
3. Zet de boom op de juiste hoogte in het plantgat. Controleer dus of de boom niet dieper staat dan dat hij voorheen heeft gestaan.
NB. De boom mag uitsluitend aan de stam getild worden als de sapstroom in rust is. Grofweg van oktober tot april, voordat de knoppen opnieuw uitlopen. Als de sapstroom al op gang is gekomen (in het late voorjaar) dient de boom aan de kluit gehesen te worden of in het plantgat gerold te worden.
4. Zet de boom recht en vul het plantgat vervolgens voor 1/3 deel met de vrijgekomen grond aan en stamp goed aan.
5. Verwijder de kluitverpakking niet! Indien er een draadkluit gebruikt is, behalve jute ook een draadkorf van metaal, dan dient de bovenste (aantrek)draad doorgeknipt en verwijderd te worden na het plaatsen van de boom. Binnen enkele seizoenen is de kluitverpakking volledig weggerot, voordat de boom er hinder van kan ondervinden.
6. Vul het plantgat verder aan met de vrijgekomen grond en verdicht de grond licht door het aan te drukken met de voeten.
7. Plaats, afhankelijk van de grootte van de boom twee of meer boompalen. Let hierbij op de meest voorkomende windrichting (doorgaans het zuidwesten) en plaats de boompaal juist aan die zijde, hierdoor heeft de boompaal ook daadwerkelijk een functie. Zet de boompalen tot de helft in de grond en bevestig de boomband vervolgens in een 8-vorm.
8. Maak een gietrand van grond iets ruimer dan waar de kluit geplant is. Hier kan water in gegeven worden.
9. Na het planten dient de boom direct goed bewaterd te worden, zodat de grond goed aansluit aan de kluit 

Nazorg
• Water geven: De boom is in het begin nog niet goed geworteld op zijn nieuwe standplaats en dus erg kwetsbaar. Hierdoor heeft de boom moeite met het opnemen van water. Zorg er dus voor dat de boom het eerste seizoen niet uitdroogt. Controleer hiervoor regelmatig of de grond bij de boom voldoende vochtig is. Door het aanbrengen van een gietrand (met minimaal dezelfde diameter als de kluit) kan er gericht water worden gegeven. Hierdoor stroomt het water niet af, maar kan het rustig in de kluit zakken. Na het planten een ruime watergift geven, zodat de grond goed aansluit. Zodra de boom bloeit of in blad komt dient u met regelmaat, afhankelijk van de gevallen neerslag, de boom extra water te geven.
• Onkruid: Houd de plek onder de boom de eerste twee seizoenen onkruidvrij. Ze onttrekken vocht en voeding van de grond, zodat de boom misschien een tekort heeft.
• Boompalen: Na twee groeiseizoenen kunnen de boompalen verwijderd worden.


Handleiding: Plant een boom met kluit


Plant een boom met blote wortel

Stappenplan
1. De boom en zijn wortels dienen in evenwicht te zijn. Snoei de boom indien nodig voor het aanplanten.
2. Graaf een ruim plantgat dat circa 1/3 groter is dan het wortelgestel van de boom. Spit de bodem van het gat goed los om de verticale ontwatering te waarborgen en druk het vervolgens weer voorzichtig aan.
NB. Zorg ervoor dat de boom niet te lang in volle zon en wind naast het plantgat blijft liggen, hierdoor drogen de wortels uit en bemoeilijkt de hergroei.
3. Vermeng de vrijgekomen grond eventueel met een grondverbeteraar die geschikt is voor de betreffende boom.
4. Zet de boom in het plantgat iets dieper van de uiteindelijke plantdiepte. Vul het plantgat met de vrijgekomen grond en trek de boom vervolgens iets op met een schuddende beweging, zodat de grond goed tussen de wortels komt.
5. Controleer de hoogte van de boom, deze dient net zo diep te staan als dat hij voorheen heeft gestaan. Vul het plantgat volledig aan en stamp de grond goed aan.
6. Plaats, afhankelijk van de grootte van de boom een of meer boompalen. Let hierbij op de meest voorkomende windrichting (doorgaans het zuidwesten) en plaats de boompaal juist aan die zijde, hierdoor heeft de boompaal ook daadwerkelijk een functie. Zet de boompalen tot de helft in de grond en bevestig de boomband vervolgens in een 8-vorm.
7. Maak een gietrand van grond iets ruimer dan waar de kluit geplant is. Hier kan water in gegeven worden.
8. Na het planten dient de boom direct goed bewaterd te worden, zodat de grond goed aansluit aan de wortels.

Nazorg
• Water geven: De boom is in het begin nog niet goed geworteld op zijn nieuwe standplaats en dus erg kwetsbaar. Hierdoor heeft de boom moeite met het opnemen van water. Zorg er dus voor dat de boom het eerste seizoen niet uitdroogt. Controleer hiervoor regelmatig of de grond bij de boom voldoende vochtig is. Door het aanbrengen van een gietrand (met minimaal dezelfde diameter als de kluit) kan er gericht water worden gegeven. Hierdoor stroomt het water niet af, maar kan het rustig in de kluit zakken. Na het planten een ruime watergift geven, zodat de grond goed aansluit. Zodra de boom bloeit of in blad komt dient u met regelmaat, afhankelijk van de gevallen neerslag, de boom extra water te geven.
• Onkruid: Houd de plek onder de boom de eerste twee seizoenen onkruidvrij. Ze onttrekken vocht en voeding van de grond, zodat de boom misschien een tekort heeft.
• Boompalen: Na twee groeiseizoenen kunnen de boompalen verwijderd worden.



Plant een struik of conifeer met (draad)kluit

Stappenplan
1. Graaf een ruim plantgat dat circa 1/3 groter is dan de kluit van de plant. Spit de bodem van het gat goed los om de verticale ontwatering te waarborgen en druk het vervolgens weer voorzichtig aan om nazakken te voorkomen.
2. Vermeng de vrijgekomen grond eventueel met een grondverbeteraar die geschikt is voor de betreffende struik of conifeer.
3. Zet de plant op de juiste hoogte in het plantgat met de mooiste zijde in het zicht. Controleer dus of de plant niet dieper staat dan dat hij voorheen heeft gestaan.
NB. De plant mag uitsluitend aan de stam(men) getild worden als de sapstroom in rust is. Grofweg van oktober tot april, voordat de knoppen opnieuw uitlopen. Als de sapstroom al op gang is gekomen (in het late voorjaar) dient de struik aan de kluit gehesen te worden of in het plantgat gerold te worden.
4. Zet de struik of conifeer recht en vul het plantgat vervolgens voor 1/3 deel met de vrijgekomen grond aan en stamp goed aan.
5. Verwijder de kluitverpakking niet! Indien er een draadkluit gebruikt is, behalve jute ook een draadkorf van metaal, dan dient de bovenste (aantrek)draad doorgeknipt en verwijdert te worden na het plaatsen van de plant. Binnen enkele seizoenen is de kluitverpakking volledig weggerot, voordat de plant er hinder van kan ondervinden.
6. Vul het plantgat verder aan met de vrijgekomen grond en verdicht de grond licht door het aan te drukken met de voeten.
7. Maak een gietrand van grond iets ruimer dan waar de kluit geplant is. Hier kan water in gegeven worden.
8. Na het planten dient de struik of conifeer direct goed bewaterd te worden, zodat de grond goed aansluit aan de kluit. 

Nazorg
• Water geven: De plant is in het begin nog niet goed geworteld op zijn nieuwe standplaats en dus erg kwetsbaar. Hierdoor heeft de plant moeite met het opnemen van water. Zorg er dus voor dat de plant het eerste seizoen niet uitdroogt. Controleer hiervoor regelmatig of de grond bij de struik of conifeer voldoende vochtig is. Door het aanbrengen van een gietrand (met minimaal dezelfde diameter als de kluit) kan er gericht water worden gegeven. Hierdoor stroomt het water niet af, maar kan het rustig in de kluit zakken. Na het planten een ruime watergift geven, zodat de grond goed aansluit. Zodra de plant bloeit of in blad komt dient u met regelmaat, afhankelijk van de gevallen neerslag, de struik of conifeer extra water te geven.
• Onkruid: Houd de plek onder de plant de eerste twee seizoenen onkruidvrij. Ze onttrekken vocht en voeding van de grond, zodat de plant misschien een tekort heeft.



Plant een vaste plant of siergras

Stappenplan
1. Zorg ervoor dat de grond waarin u de vaste planten of siergrassen gaat planten goed los is gemaakt, tot zeker 50 cm diepte. Alleen de bovengrond frezen of omwoelen in onvoldoende.
2. Zet de planten uit in het perk op de plek waar ze dienen te staan. Let hierbij op de voorgeschreven plantafstanden, dit kan verschillen per soort.
3. Verwijder vervolgens de plastic potjes door de pot eerst aan de zijkanten samen te drukken en de plant er vervolgens voorzichtig uit te trekken, zonder dat de aarde van het wortelgestel valt.
NB. Indien de kluit droog aanvoelt is het raadzaam deze eerst een moment te dompelen in een emmer gevuld met water, voordat de plant in de grond geplant wordt.
4. Maak met een spade een plantgat ter grootte van de kluit.
5. Plaats vervolgens de vaste plant of het siergras in het gat en schuif de vrijgekomen grond aan tot aan de bovenzijde van de kluit. De plant dient dus zeker niet dieper te staan dan dat deze voorheen in de pot gestaan heeft.
6. Druk de grond stevig aan met de handen.
7. Na het planten dienen de planten direct goed bewaterd te worden, zodat de grond goed aansluit aan de kluit.

Nazorg
• Water geven: De vaste planten of het siergras is in het begin nog niet goed geworteld op de nieuwe standplaats. Zorg er dus voor dat de planten het eerste seizoen niet uitdrogen. Controleer hiervoor regelmatig of de grond bij de planten voldoende vochtig is. Na het planten een ruime watergift geven, zodat de grond goed aansluit. Zodra de plant bloeit of in blad komt dient u met regelmaat, afhankelijk van de gevallen neerslag, de plant extra water te geven.
• Onkruid: Houd de plek rondom de planten onkruidvrij. Ze onttrekken vocht en voeding van de grond, zodat de planten misschien een tekort hebben.
• Snoei: Voor het beste resultaat snoeit u de planten, indien nodig, op de aangegeven manier en periode.



Plant een haag

Met blote wortel

Stappenplan
1. Span een touw op circa 15 cm naast de plek waar de haag dient te komen.
2. Graaf langs dit touw een ruime sleuf van 30 cm breed en 30 cm diep. Ongeveer 10 cm breder en dieper dan dat de wortels zijn.
3. Vermeng de vrijgekomen grond eventueel met een grondverbeteraar die geschikt voor de betreffende haagplanten.
4. Bevochtig de wortels van de haagplanten.
5. Verdeel de hoeveelheid planten over de gewenste lengte van de haag. Ideale plantafstanden verschillen per grootte en soort.
NB. Zorg ervoor dat de haagplanten niet te lang in volle zon en wind naast de sleuf blijven liggen, hierdoor drogen de wortels uit en bemoeilijkt de hergroei.
6. Houd de plant in het midden van de sleuf en vul aan met grond. Schud de plant licht heen en weer, zodat de grond goed tussen de wortels komt. Stamp de grond rondom de kluit voorzichtig aan.
7. Na het planten dienen de haagplanten direct goed bewaterd te worden, zodat de grond goed aansluit aan de wortels.
8. Snoei de haagplanten op de gewenste hoogte en breedte.

Nazorg
• Water geven: De haagplanten zijn in het begin nog niet goed geworteld op hun nieuwe standplaats en dus erg kwetsbaar. Hierdoor hebben ze moeite met het opnemen van water. Zorg er dus voor dat de haagplanten het eerste seizoen niet uitdrogen. Controleer hiervoor regelmatig of de grond bij de planten voldoende vochtig is. Na het planten een ruime watergift geven, zodat de grond goed aansluit. Zodra de haagplanten bloeien of in blad komen dient u met regelmaat, afhankelijk van de gevallen neerslag, de haagplanten extra water te geven.
• Onkruid: Houd de strook onder de haag de eerste twee seizoenen onkruidvrij. Ze onttrekken vocht en voeding van de grond, zodat de haagplanten misschien een tekort hebben.
• Snoei: Voor het beste resultaat snoeit u de haagplanten een of twee maal per seizoen op de daartoe aangegeven periodes.



Water geven

Wanneer een boom of heester is verplant is het zaak om de plant de eerste twee groeiseizoenen goed te monitoren. Een bepalende factor voor het succes van aangroei van de plant is het vochtgehalte in de bodem op peil houden. Water geven dus…
Planten halen water uit de bodem en verdampen het via het blad. Vers water wordt aangevoerd door grondwater, regen of door het geven van water. Bij het rooien verliest een plant een groot deel van de (haar)wortels (producten met blote wortel, kluit of draadkluit). Hierdoor kan het vaak niet voldoende water uit de bodem opnemen.

In het geval van water geven is het belangrijk om de juiste hoeveelheid en op de juiste manier water te geven. Om de hoeveelheid water te bepalen is helaas geen standaard beschikbaar, dit verschilt per plant, per standplaats, per weersomstandigheid, etc. De frequentie en hoeveelheid van water geven zal dus aangepast moeten worden aan de omstandigheden.

Feit is dat een plant verdroogt indien deze te weinig water krijgt. De eerste signalen zijn te herkennen aan het blad, dit gaat slaap hangen, het zal zich van de zon afdraaien, daarna kan het verkleuren of zelfs afvallen. Teveel water geven kan eveneens fataal zijn, hierdoor wordt de aanwezige zuurstof uit de bodem rondom de kluit gedrukt. Geef bij voorkeur 1x per week een grote gift. De wortels worden hierdoor gestimuleerd om water te zoeken buiten de kluit. Veel kleine watergiften maken de plant ‘lui’.
Een plant heeft het meeste water nodig in de periode van het uitlopen van het blad tot en met de langste dag (21 juni). Groenblijvende planten hebben altijd blad en zullen dus ook jaarrond gemonitord moeten worden.

Gietrand
Om een plant op een goede manier van water te voorzien kan een gietrand aangebracht worden. Maak de gietrand door middel van een ophoging van grond (ca. 20 cm), of schaf een kunststof gietrand aan. Deze gietrand voorkomt het afvloeien van water en zorgt ervoor dat het water daar de bodem inzakt waar de wortels zijn. Om deze reden dient de gietrand minimaal even groot te zijn als de diameter van de kluit.



Nazorg

Voordat u een boom plant is het verstandig om een goede plaats uit te kiezen. Wij hebben belangrijke aspecten waar op u moet letten bij het planten op een rij gezet:
1. Bomen met kale wortel moet u binnen 5 dagen planten, anders drogen de wortels uit.
2. Zorg dat de plek waar de boom geplant wordt vrij is van puin, oude wortels, grind, straatwerk, oude beplating, stronken etc. Minimaal 50 cm diep moet de grond vrij zijn van deze materialen.
3. Plaats de boom op een goed waterdoorlatende plek.
4. Zorg dat de boom voldoende zonlicht krijgt. 

Eerste snoei
Om de wortels en kroon te optimaliseren is de eerste snoei erg belangrijk. Na het planten moet de kroon meteen worden teruggesnoeid om de verhouding tussen de wortels en kroon te herstellen (en damping te beperken). Als u een boom verplant verliest de boom altijd wat wortels. Als u niet terugsnoeit bestaat het gevaar dat de kroon te groot wordt voor het aantal beperkte wortels. Dit resulteert in te weinig wateraanvoer, verdamping van de boom en taksterfte of erger. Snelgroeiende bomen slaan makkelijker aan na een eerste snoei en groeien beter en sneller.

Bewatering
Het is belangrijk om voldoende water te geven na het aanplanten van de boom, vooral in de groeiperiode. Vanaf het moment dat de eerste bladeren uitlopen heeft de boom water nodig totdat het blad valt in de herfst. Doorgaans is dit van maart t/m oktober. Een aangeplante boom heeft net zolang water nodig totdat de nieuwe (haar)wortels zichzelf van water kunnen voorzien. De wortels kunnen zelf water opnemen als de wortels zich ruimschoots in het gegraven plantgat bevinden. Meestal duurt dit ongeveer twee groeiseizoenen.
Let op: bij bomen die het hele jaar door blad houden hebben het hele jaar door water nodig, denk hierbij aan naaldbomen en groenblijvende bomen.

Hoeveelheid water
De juiste hoeveelheid hangt af van de boomsoort, de weersomstandigheden en de bodem. Vanaf het uitlopen in maart/april tot aan de langste dag (ergens rond 21 juni) heeft de boom het meeste water nodig. In de winter heeft de boom geen water nodig, vanaf november t/m begin maart. Kortom: in drogere periodes heeft de boom water nodig en in de natte regenperiodes hoeft u de boom niet of nauwelijks water geven. Bewatering is maatwerk. Bij een tekort zal de boom sterven, maar bij een overschot ook. Bij beiden gevallen krijgen de wortels geen zuurstof en kan de boom afsterven.

Voedingsstoffen
Na het aanplanten is het bij arme grond aan te raden om voedingsstoffen toe te voegen aan de bodem. In een bosrijk gebied krijgt de boom al voeding door gecomposteerd blad, bloesem- en vruchtresten. Als u het organische materiaal weghaalt moet u de voedingsstoffen handmatig toevoegen. Het toevoegen van kunstmeststoffen is alleen noodzakelijk als er een gebrek middels grondbemonstering is vastgesteld. Het klakkeloos toedienen van NPK-kunstmeststoffen dient zeer terughoudend te gebeuren aangezien dit vaak tot onbalans in de bodem leidt en daarmee tot ongewenste resultaten.



Snoei

Elke boom heeft zijn eigen onderhoud nodig en moet geregeld gesnoeid worden. Per boom verschilt het hoe vaak en wanneer de boom gesnoeid moet worden. Om u op weg te helpen hebben wij een aantal tips.

Snoeiregels
Bij het snoeien zijn er verschillende basis snoeiregels:
• Snoei met goed en scherp gereedschap;
• Knip de takken schuin af;
• Snoei nooit tijdens vorst;
• Bekijk voor u begint welke takken er weggehaald moeten worden om de balans goed te houden;
• Knip oude takken zo diep mogelijk terug;
• Snoei net boven een jonge scheut, zodat de scheut verder kan groeien en de structuur van de struik open blijft;
• Haal schurende en over elkaar groeiende takken weg.

Waarom?
Er zijn diverse redenen om te snoeien. Natuurlijk kunt u ook de natuur zijn gang laten gaan, alleen kan dit zorgen voor een verwilderde tuin. Als je dit liever niet wilt kunt u beter regelmatig uw boom of struik snoeien. Daarnaast kan snoeien ook ruimte creëren in uw tuin. Met snoeien kunt u zieke en zwakke delen van een boom verwijderen.

Winter
Bij bladverliezende bomen en heesters kunt u de structuur het beste bekijken in de winter. Als de struik geen mooie vorm meer heeft kan deze flink teruggesnoeid worden. Daar kan een boom aardig van opknappen. Als u de boom niet meer in de gewenste vorm krijgt kunt u deze beter naar de grond toe terugknippen. Het nadeel is dat bij de volgende voorjaarsbloei het eerstvolgend jaar geen bloemen te zien zijn. Maar wellicht kunt u daarna weer volop genieten van uw boom.

Voorjaar
Vlinderstruik, rozen en lavendel behoren tot de categorie najaarsbloeiers. Alle heesters die na juni bloeien worden in het voorjaar (na vorst) gesnoeid. Gedurende strenge winters is het mogelijk om de takken van heesters in te vriezen. Als u de takken voor de winter snoeit kunnen de takken onherstelbaar beschadigd zijn. Als u de vorm niet mooi vindt kan hij worden aangepast naar wens. De grondige snoei kunt u beter laten wachten tot het najaar.

Vormsnoei
Met vormsnoei kunt u uw haag in bijzondere vormen knippen ter decoratie. Niet iedere haagplant is ideaal voor een vormsnoei, daarnaast is ook niet ieder jaargetijde geschikt om de vormsnoei uit te voeren. U kunt het beste bij bewolkt weer snoeien, aangezien de zon afgeknipte takken en twijgen kan beschadigen. Daarnaast is het belangrijk om de juiste materialen te gebruiken. In principe is de schaar een geschikt instrument bij een vormsnoei, maar voor rechte geeft een automatische zaag het beste resultaat. Snoei bij voorkeur met handschoenen aan, om irritaties te voorkomen.



Plantperiode

Vaak worden bomen en planten in het voorjaar gekocht. Het weer wordt steeds beter en steeds meer mensen krijgen zin om e tuinieren. Maar is dit ook een geschikte plantperiode?

Najaar
In principe is het voorjaar niet de ideale plantperiode, maar is het najaar voor de meeste soorten veel beter voor de plant. In het najaar is de grond nog vrij warm waardoor de plant langzaam gaat inwortelen in zijn nieuwe standplaats. Dit proces gaat door totdat het vriezen start en de bodem steeds kouder wordt. Later warmt de grond langzaam op en gaan de wortels verder inwortelen. Ook voor heide is het najaar een ideale plantperiode. Door de plant diep genoeg te planten voorkomt u dat harde wind gaat wrikken. Door in het najaar te planten kunnen heesters, bomen en vaste planten nog voor de winter vast geworteld zijn, wat ze in het voorjaar een voorsprong oplevert ten opzichte van planten die dan pas de grond in gaan.

Waar moet ik op letten?
De boom kan in het najaar het beste inwortelen, ook zijn er wat risico’s verbonden aan het planten in deze periode. Bij een strenge en langdurige winter kunnen de wortels en planten bevriezen. Om dit te voorkomen kunt u het beste een zwart doek, stro of mulch op de grond te leggen ter bescherming. Daarnaast kunt u een extra loog compost aanbrengen om de grond af te dekken. Echter zijn de voordelen om in het najaar te planten veel groter dan het planten in het voorjaar, dus voor uw plant is het vrijwel altijd beter om te kiezen voor het najaar. Bij een pot en kluit is de ideale plantperiode vanaf midden oktober. Bij een blote wortel is de beste plantperiode vanaf november.